Oes Olde Lu

Stamgeboom

Belevingen van een genealoog

Een schandelijke zonde

Siewerd liet zijn oog vallen op Anje en Anje vond die aandacht van Siewerd wel prettig. Het werd ineens erg gezellig in de herberg en van het één kwam het ander. Siewerd bedroog zijn vrouw Grietje, het kwam uit, en het dorp Westerdijkshorn sprak er in die zomer van 1729 schande van.
Siewerd Sierds en Anje Frederiks werden voor de kerkenraad ter verantwoording geroepen en bestraft met uitsluiting van de belangrijkste plechtigheid van de kerkdienst: het Heilige Avondmaal.1) In die tijd was dat heel wat. Je raakte afgezonderd van de andere kerkgangers en werd behoorlijk te kijk gezet. Na drie jaar nam de kerkenraad genoegen met Siewerds herhaaldelijke spijtbetuigingen en zijn belofte niet meer de fout in te gaan. Na nog wat ernstige vermaningen van de predikant mocht Siewerd weer aanzitten bij ‘des Heeren Heilige Avondmaal’.
Merkwaardig is, dat zijn vrouw Grietje in het kerkboek nergens aan het woord komt. Ze was verraden door haar man, en het hele dorp wist ervan. Maar het kwam niet aan de orde bij de bespreking van de kwestie in de kerkenraad. Haar mening en gevoel deden er niet toe. Dit was een zaak tussen Siewerd en de kerk. En scheiden was sowieso geen optie.
Nóg merkwaardiger is, hoe naar Anje werd gekeken. Terwijl Siewerd alleen “de schandelijke sonde van overspel” werd verweten, mocht Anje zich ook nog verantwoorden voor “hoererij”. Alsof zij net iets méér schuld had aan de affaire.
Siewerd werd dus weer een volwaardig lid van de kerk in Westerdijkshorn — net als Anje trouwens. Grietje had het te accepteren, maar lang duurde deze ongemakkelijke situatie niet. Siewerd kwam kort daarna te overlijden en Grietje trouwde met een andere man. Met de kerk was Siewerd net op tijd in het reine gekomen. Hoe vergevingsgezind Grietje was, zullen we nooit weten.
Marco Bakker | november 2016 | link: oesoldelu.nl/blog/#zonde

En dan is er koffie

Over de veenkoloniën in Groningen en Drenthe bestaan een hoop vooroordelen. Vooral 19e eeuwse schrijvers dikten de ellende zó aan dat het beeld is overgebleven van zwoegende veenarbeiders zonder vooruitzichten die zich na het werk aan sterke drank te buiten gingen.1) Dat het ook veel gezelliger kon zijn, concludeer ik uit een lijst met de bezittingen van Frederik Sonius, mijn voorouder van negen generaties terug.
Frederik had al op verschillende plekken gewoond en op verschillende manieren de kost verdiend. Uiteindelijk was hij rond 1752 neergestreken in de veenkoloniën ten zuiden van Hoogezand-Sappemeer. ‘Kiel-Windeweer’ heet het streekdorpje nu. Toen hij in 1764 was overleden, werden zijn bezittingen opgeschreven.2)
Hij was een coffeeshophouder geweest, maar dan in de letterlijke betekenis. Koffiepotten, koffieketels, een koffiebrander, een koffiemolen, en een toonbank: Frederik schonk koffie. Zijn zaakje was klein, maar fijn. Niet meer dan drie tafels en acht stoelen. De koffie dronken de klanten uit schoteltjes.
Ik stel me voor dat de turfstekers hier 's avonds samen kwamen, om bij een bakje koffie met vrienden een plezierige avond te hebben. Een echte stamkroeg, maar dan zonder bar, biljart, of gokautomaat. Je kon er de kranten lezen, wat roken, elkaar sterke verhalen vertellen, en er werd gelachen natuurlijk. Frederik zag het van achter zijn toonbank aan en schonk nog eens wat koffie bij. Die koffie kwam niet uit een apparaat, maar die had-ie 's middags zelf gebrand, gemalen, en gezet. Een tosti of broodje bal kon hij je niet bieden.
Toch bleef het niet bij koffie alleen. Op de lijst van Frederiks nalatenschap zien we ook negen glazen en bijna 75 liter jenever. Er ging dus óók wel eens een turfsteker zwalkend naar huis.
Marco Bakker | augustus 2016 | link: oesoldelu.nl/blog/#koffie

De kraantjeskan van Velleman

Ze had de kraantjeskan gekregen toen ze haar dienstje verliet om te trouwen. Vele jaren later beloofde ‘oma Por’ aan haar kleindochter dat zij de kan mocht erven. En zo kwam de beschilderde, tinnen kan in onze keuken terecht en maakte ik er kennis mee. Een ouderwets ding. Somber zwart. Beschadigd door het vele gebruik. Wat verpoetst ook.
Roelie Bonder reageerde in 1912 op een advertentie waarin werd gevraag om “een nette Dienstbode, liefst uit het land” voor een “klein gezin, wasch buitenshuis”.1) Roelie was inderdaad ‘uit het land’, oftewel van het platteland, want ze kwam uit het dorp Haren. De betrekking was bij de familie Velleman, op het adres Poelestraat 15 in Groningen-stad. Ze werd aangenomen.
De heer Velleman had een kledingwinkel en samen met mevrouw Velleman zorgde Roelie voor de dochters Hester en Klaartje. Natuurlijk nam Roelie ook de vele huishoudelijke klussen op zich.2) Had ze het er goed? Dat vertelt het bevolkingsregister er niet bij, maar Roelie bleef er drie jaar.3)
Ze kreeg een mooie, toen nog donkerrode kraantjeskan mee bij haar vertrek. Een goed geschenk voor een aanstaande bruid, want een nuttig onderdeel van de uitzet. Je moest je gasten tenslotte koffie voor kunnen zetten. Roelie — inmiddels gehuwd Por — nam de kraantjeskan mee naar de Kleine Bergstraat, daarna naar de Selwerderstraat, en uiteindelijk naar het verzorgingstehuis op de Beukenlaan. Het was een dierbaar bezit.
Hoe verging het de familie Velleman? In 1916 vertrokken ze naar Amsterdam en Benjamin Velleman overleed daar negen jaar later. Daarna volgde het verschrikkelijke drama. Hester werd in 1942 in Auschwitz met haar man en dochter vermoord, Klaartje in 1943 in Sobibor.4) En ook Rachel Jacoba Velleman–Levie werd in 1942 slachtoffer van de Holocaust.5)
Heeft Roelie geweten van het lot van ‘haar’ familie Velleman? Kon ze ernaar informeren? Ze heeft het na de oorlog '40–'45 vast vermoed. Was dat de reden dat ze haar kraantjeskan ijverig poetste? Of was ze gewoon trots op een succesvolle dienstbetrekking?
Na jaren in de keuken van mijn ouderlijk huis, staat de kraantjeskan nu op mijn werkkamer. Een klein monumentje voor mijn overoma Por… én de joodse familie Velleman.
Marco Bakker | maart 2016 | link: oesoldelu.nl/blog/#velleman

Liefde in linnen

Door al die geboortedata, kekulenummers, dooplijsten, en begraafregisters zou je bijna vergeten dat je verre verwanten gewoon mensen van vlees en bloed waren. Soms krijg je daar ineens een glimp van te zien.
In 1791 werd de boedel beschreven van Bareld Gelmers en Jeichien Lunsche. Ze waren allebei overleden. Een plaatselijke ambtenaar loopt door de oude boerderij, schrijft per kamer op wat hij ziet en wij lopen gewoon mee1). Na al het vee, de vele werktuigen, de meubels, het servies, en de keukenspullen komen we in een kabinet tegen “Een stukje linnen gemerkt van mijn moeder Jantijn Ebbinge 1765”. Slik.
Jantien Ebbinge was de oma van Bareld. Dat betekent dat haar dochter Marchien het stukje linnen bewaarde en er ‘van mijn moeder Jantijn Ebbinge 1765’ op borduurde. Ze koesterde daarmee de herinnering aan haar moeder, bij gebrek aan foto's. Maar ook de schoondochter van Marchien, Jeichien, koesterde het doek en bewaarde het op haar beurt, als herinnering aan zowel haar schoonmoeder als de oma van haar overleden man. En ten slotte overleed ook Jeichien en stond de ambtenaar met het borduursel in z'n handen.
Het stukje linnen is allang zoekgeraakt of vergaan. Jeichien, Marchien, en Jantien zijn van de aardbodem verdwenen. Maar in het Drents Archief kan je in een lange, zakelijke opsomming een klein beetje van hun liefde voor elkaar terugvinden.
Marco Bakker | maart 2016 | link: oesoldelu.nl/blog/#linnen

De tijd van je leven

“We worden steeds ouder!” Je hoort het regelmatig roepen in de verschillende media als vaststaand feit. Dan gaat het over gezondheidszorg of over het verhogen van de pensioenleeftijd. De argumenten voor deze stelling worden meestal niet eens meer genoemd en het suggereert dat de mensen ‘vroeger’ niet oud werden. En inderdaad: de gemiddelde levensverwachting is gestegen.
Wat we vaak over het hoofd zien, is dat die levensverwachting lange tijd enorm gedrukt werd door een hoge kindersterfte. Als baby had je een grote kans om jong te sterven. Was je eenmaal volwassen geworden, dan zag het plaatje er ineens anders uit. Er werden ook nog eens veel méér kinderen geboren dan nu. De gemiddelde eindleeftijd, gerekend over álle overlijdens, was daardoor laag, maar dat betekende niet dat je tegen je veertigste al moest vrezen voor het einde. Er zou een ander beeld opduiken als we de kindersterfte niet meerekenden en alléén van de volwassenen uitgingen.
Hoe zit dat bij mijn eigen voorouders? Mijn kwartierstaat is inmiddels al aardig gevuld met mannen en vrouwen die allemaal de leeftijd hebben gehaald om zelf kinderen te krijgen — ja, hoe kan het ook anders? Goede data om eens mee te stoeien.
Ik selecteerde alle voorouders van wie ik zowel het geboortejaar als het overlijdensjaar wist, eventueel bij benadering, en hield 347 individuen over om mee te rekenen. Dat leverde dit plaatje op:

De rode stip rechts is mijn moeder: geboren in het decennium vanaf 1940 (namelijk 1945) en overleden op 62-jarige leeftijd. Drie van mijn grootouders, die 70, 73, en 97 jaar werden, zijn samen de stip van 1910. Door het karakter van een kwartierstaat neemt het aantal individuen naar het heden toe geleidelijk af. Aan de andere kant nemen de gegevens naar het verleden toe ineens snel af (door minder precieze bronnen) en zijn er dus minder beschikbare individuen. De trend in grijs is berekend als er over 5 decennia met totaal meer dan 20 individuen gerekend kon worden.
Deze trend is stabiel van 1730 tot 1850. De eindleeftijd schommelt daar rond 67 jaar en lijkt zelfs iets te dalen (!). Pas vanaf geboortejaar 1850 stijgt de eindleeftijd in vier decennia van 65 naar 73 jaar. Of die trend doorzet, is niet te zeggen. Meest verrassend is de forse stijging tussen 1680 en 1730 van 49 naar 69 jaar. Die stijging kan ik zonder verder onderzoek niet verklaren. De meest betrouwbare cijfers, door het relatief hoge aantal individuen, zitten tussen 1720 en 1830. Volwassenen die in die decennia waren geboren, konden ervan uitgaan dat ze de 65 jaar wel zouden halen.
Werd men vroeger niet oud? Heus wel. Worden we steeds ouder? Ik zou er niet teveel op rekenen.
Marco Bakker | maart 2016 | link: oesoldelu.nl/blog/#leeftijd

De Lüdershofer Weg

Een los eindje in Duitsland. Conrad Bunte was, volgens de akten bij zijn twee huwelijken in Nederland, geboren in 1834 te ‘Ludershof’, in het vorstendom Lippe. Maar geen plaats in Lippe te bekennen met die naam. Een zoekvraag op Google leverde wel een ‘Schloß Lüdershof’ op. Mijn schoonouders waren er tijdens een vakantie wel eens geweest, zo bleek daarna. Sterker nog: mijn schoonmoeder haalde een toeristische folder van Lippe uit de la met een foto en beschrijving van het landgoed bij Donop. “Das kleine Schloß wird privat bewohnt.” Door familie?
De ouders van Conrad werden in de huwelijksakten genoemd als een andere ‘Conrad Bunte’, stratenmaker, en ‘Elisabeth Frank’ of ‘Trunk’. Het beroep van vader gaf alvast weinig hoop op een adelijke afkomst. De naam ‘Frank’ in Duitsland was, toen mijn grootvader deze naam al eens had gevonden, binnen de familie aanleiding geweest voor associaties met Anne Frank. Voorbarig natuurlijk.
Het mysterie bleef en de eerstvolgende vakantie ging daarom naar Duitsland. De ‘Lüdershofer Weg’ in Donop lonkte. Ondanks dat het duidelijk privéterrein was, waagden mijn vrouw en ik een kijkje op het landgoed. Niemand hield ons tegen en we maakten er wat foto's. Het ‘slot’ bleek niet meer dan een statig huis met bijgebouwen in vakwerkstijl. Mijn vrouw besloot aan te bellen. Wie niet waagt, wie niet wint. Een fysiotherapeut die in het huis praktijk hield, kende mijn voorouder natuurlijk niet, maar zijn schoonmoeder wist misschien meer. Even later zaten we bij mevrouw Issel in de naast het oude huis gelegen moderne Lüdershof-boerderij aan de keukentafel. Zij kende de geschiedenis van het landgoed en nam aan dat de ouders van Conrad inwonende arbeiders waren geweest. Spontaan belde ze de plaatselijke, in geschiedenis geïnteresseerde dominee en drukte mij de telefoon in handen. In m'n beste Duits discussieerde ik met dominee Wehmeier over waarom Conrad was ‘ausgewandert’. Hij was misschien wel ‘Ziegler’, stelde de dominee. Midden negentiende eeuw ontstond er in Lippe een overschot aan mannen. Zij weken uit naar Noord-Duitsland en de provincie Groningen voor werk op steenfabrieken.
In een afdeling van het Landesarchiv Nordrhein-Westfalen, in Detmold, maakten we de volgende dag kennis met de gang van zaken in een Duits archief. Via slecht leesbare microfiches konden we in niet-standaard Duits geschreven teksten ons speurwerk voortzetten. Omdat de Burgerlijke Stand in Duitsland pas eind negentiende eeuw is ingevoerd, hadden we te maken met chaotische kerkelijke registers. Twee middagen puzzelen leverde gelukkig wel een paar extra generaties Duitse voorouders op. Geen adelijke heren en dames, maar ‘Einlieger’: op een landgoed of boerderij inwonende arbeiders. Daarmee werd het vermoeden van mevrouw Issel bevestigd. Van een familie ‘Frank’ was geen sprake, van de naam ‘Strunk’ des te meer. Vele dorpjes in de omgeving werden voortaan de geboorteplaatsen van mijn voorouders.
Ook dominee Wehmeier kreeg gelijk. Ik ontdekte Conrad op een ‘Ziegelbotenliste’ uit 18531). En op aantekeningen van mijn opa, die ik later ontving2), stond Conrad vermeld als ‘steenbakker’ of ‘arbeider op een steenfabriek’. Ongetwijfeld had mijn opa dit opgetekend uit de verhalen van zíjn oma, een dochter van Conrad.
Conrad Bunte was een arbeidsmigrant. Een gelukzoeker. En zijn verhaal was weer compleet.
Marco Bakker | maart 2016 | link: oesoldelu.nl/blog/#ludershof

Er zaten twee motten…

De details maken het verhaal. Zo ook bij de levens van mijn Drentse voorouders. Het is dus de moeite waard naar die details te zoeken. Maar naast de tijd, kan ook de Drentse taal dan een obstakel zijn.
In het Drents Archief stuitte ik in een lijvig boek, de ontvangsten voor de armen van de diaconie in Peize1), op de volgende tekst uit 1807: “Ontfangen van Hindrik Jans voor een Peis Modte nagelaten Door Berent Hindriks Somma 1 10”. Met het ontcijferen van oude, handgeschreven teksten had ik al aardig wat ervaring. De tekst was goed leesbaar. Maar als je de woorden niet kan plaatsen, ga je twijfelen aan de transcriptie. Wat is een ‘Peis Modte’? Het was belangrijk genoeg om één gulden en tien stuivers voor te betalen. Toen een heel bedrag. Het was door mijn ene voorouder nagalaten en omdat hij tijdens z'n leven ondersteuning van de diaconie had gekregen, moest de ander, zijn schoonzoon, het ‘loskopen’. Was het dus iets persoonlijks?
Toen herinnerde ik me dat ik een soortgelijk woord al eens in een andere hoek van de familie was tegengekomen. In 1910 adverteerde Stoffer Giezen in de krant2): “2 drachtige MOTTEN, 14 en 12 week dragende, bij St. GIEZEN, Steenbergen, Roden.” Zouden deze ‘motten’ lijken op de ‘modte’ van honderd jaar eerder?
Het Drentse woordenboek bood uitkomst. ‘Motte’ is Drents voor ‘zeug’, een vrouwelijk varken. Misschien was het een lief en aanhankelijk varken, maar echt persoonlijk was deze erfenis waarschijnlijk toch niet.
Marco Bakker | maart 2016 | link: oesoldelu.nl/blog/#motten

Oes Olde Lu: Het verhaal van onze ouders, en hun ouders, en hún ouders…